Sylvia Witteman over de Hollandse Keuken

COLUMN SYLVIA WITTEMAN (vandaag in de Volkskrant)

Sla

Doorgaans kan de economiepagina slechts op mijn lauwe belangstelling rekenen, maar gisteren begon mijn hart toch sneller te kloppen bij het kopje ‘IJsbergsla heeft zijn beste tijd gehad’. Een verheugende mededeling! ‘IJsbergsla heeft het rijk niet meer alleen’ stond er ook nog. Ja, want lange, vreugdeloze jaren had ijsbergsla het rijk wél alleen. Maar er breken betere tijden aan.

Ik ben nog van vóór de ijsbergsla. In mijn prille jeugd bestond er maar één soort sla, en die heette ‘sla’. Zeker, er werden ook wel andere groentes en zelfs vruchten gebruikt om salades van te maken (ik herinner me met vertedering ‘salade Pien Wiegel’, genoemd naar de vrouw van de ex-politicus, waar, meen ik, witlof, blikmandarijntjes en amandelschaafsel in moest, in die salade dus, niet in Pien Wiegel), maar als je aan je moeder vroeg ‘wat eten we?’ en ze zei ‘sla’, dan kon je er van opaan dat je malse, lekkere kropsla kreeg, met soms een overgeschoten hard ei er doorheen. Heerlijk was dat, en er zat helemaal niemand op andere sla te wachten.

Maar halverwege de jaren zeventig gebeurde er iets verschrikkelijks: de ijsbergsla deed zijn intrede bij Nederlandse groenteboeren. Het akelige gewas werd om oneigenlijke redenen een groot succes: het is maandenlang houdbaar, eenvoudig schoon te maken en het smaakt ‘neutraal’ dat wil zeggen naar niets. Ideaal! Heel Nederland omhelsde het knapperige kropje en kauwde zich krakend een weg door de jaren zeventig en tachtig. Nou, en u weet wat er vervolgens allemaal misging. De kabinetten bléven maar vallen, kerncentrales begonnen te lekken, ruimteshuttle Challenger ontplofte bij de lancering, en Dennie Christian maakte de ene comeback na de andere.

Maar toen Nederland eindelijk doorkreeg wat er was gebeurd, was het te laat. Met toenemende vastberadenheid probeerde men zich aan de klauwen van de ijsbergsla te ontrukken. Verbeten klampten wij ons vast aan rucola, lollo rosso, krulandijvie en andere moderne bladgroenten die onder het kille bewind van de ijsbergsla aarzelend hun kopje hadden opgestoken. Vergeefs. Tot overmaat van ramp verzon de middenstand ‘sla in een zak’ waardoor de schofterige fopgroente zijn loopgravenoorlog ongehinderd kon voortzetten, vergezeld van sliertjes wortel en vieze flessen kant en klare ‘dressing’ waarvan de ingrediënten, even griezelig als onverklaarbaar, niet gewoon naar de bodem zakken, maar tot het einde der tijden op gelijke hoogte blijven zweven.

Ja, het waren lange, magere jaren. Maar er gloort licht aan de horizon. ‘De rek is er wel zo’n beetje uit in de ijsbergsla’ aldus een teler, gisteren in deze krant. Mooi zo! Weet de vaderlandse huisvrouw eindelijk weerstand te bieden aan de verraderlijke lokroep van het waterige kropje, ten faveure van de heerlijke ouderwetse sla, tegenwoordig belachelijkerwijs ‘botersla’ geheten? Nee, want ‘lekker’ is in de Hollandse keuken nauwelijks een factor van betekenis. Maar waar hebben we de ondergang van die waterige bal dan wél aan te danken? ‘IJsbergsla is een bulkproduct met minimale marges’, aldus de teler. ‘En dit jaar heeft de handel extra klappen gekregen door het gedoe met de Ehec-bacterie.’ Lekker puh! Als het niet goedschiks lukt, dan maar kwaadschiks!

Ik ga nu op de markt een grote, lekkere malse krop echte sla kopen, en ik hoop van u het zelfde.